Prikkelverwerking bij jonge kinderen (0–6 jaar): ieder kind beleeft de wereld anders

Een baby die schrikt van harde geluiden. Een peuter die eindeloos wil springen en rennen. Een kleuter die tijdens een verjaardag ineens boos wordt en zich terugtrekt. Of een kind dat nauwelijks lijkt te merken dat zijn kleding nat is geworden.

Wat vertelt dit gedrag ons eigenlijk?

Jonge kinderen krijgen de hele dag door ontzettend veel informatie binnen. Deze informatie komt binnen dankzij onze zintuigen. Onze hersenen verwerken vervolgens deze informatie. Jonge kinderen een observerend/absorberend brein en nemen ze alles zonder moeite in zich op. Bij de baby/dreumes gebeurt dit onbewust. Bij een peuter/kleuter is dit al meer bewust en start de waarom-fase. Hier willen ze alles verklaren wat ze in de eerste 3 jaar hebben opgenomen. In deze fase planten we de zaadjes en bouwen we het basisfundament.

Het jonge kind voelt hun kleding op hun huid, horen stemmen en geluiden, zien beweging en kleuren, ruiken geuren en ervaren voortdurend hun eigen lichaam tijdens bewegen, spelen en ontdekken. Al deze informatie noemen we zintuiglijke prikkels.

De manier waarop een kind deze prikkels opmerkt, verwerkt en erop reageert, noemen we sensorische informatieverwerking of prikkelverwerking. Ieder kind doet dit op zijn eigen manier.

De wereld komt binnen via onze zintuigen

Prikkelverwerking gaat over veel meer dan alleen gevoeligheid voor geluid of licht. We ontvangen informatie vanuit verschillende zintuigen:

Het brein probeert al deze informatie voortdurend te ordenen. Bij jonge kinderen is dit proces nog volop in ontwikkeling. Dat betekent dat een kind de ene dag heel goed met prikkels kan omgaan, terwijl dezelfde situatie op een andere dag ineens te veel kan zijn. Denk bijvoorbeeld aan een peuter die normaal gesproken prima mee kan naar de supermarkt, maar na een drukke dag ineens overstuur raakt van de lichten, geluiden en mensen.

Dat betekent niet automatisch dat er “iets mis” is met het kind. Soms is het simpelweg vol.

Vier manieren van prikkelverwerking

Een model dat kan helpen om gedrag rondom prikkels beter te begrijpen, is het model van Winnie Dunn.

Dunn beschrijft vier verschillende patronen van sensorische informatieverwerking. Deze ontstaan vanuit twee aspecten:

  1. De prikkeldrempel: hoeveel prikkels heeft iemand nodig voordat het brein reageert?
  2. De manier waarop iemand daarop reageert: gaat iemand actief op zoek naar verandering, of laat iemand de prikkels vooral op zich afkomen?

Daaruit ontstaan vier profielen: de Zoeker, de Toeschouwer, de Sensor en de Vermijder.

Belangrijk om daarbij te onthouden: een jong kind is niet “een zoeker” of “een vermijder”. Het kan kenmerken van meerdere profielen hebben en dit kan bovendien veranderen afhankelijk van de situatie, leeftijd, vermoeidheid en ontwikkeling.

1. De Zoeker – “Ik heb meer nodig!”

Een kind met kenmerken van de Zoeker heeft vaak een relatief hoge prikkeldrempel. Het heeft veel of sterke prikkels nodig voordat het brein voldoende informatie registreert.

Je ziet bijvoorbeeld een peuter die:

Waar een volwassene misschien denkt: “Zit toch eens stil!”, kan het kind eigenlijk bezig zijn met iets anders: “Mijn lichaam heeft meer informatie nodig.”

2. De Toeschouwer – “Ik merk het niet altijd”

De Toeschouwer heeft eveneens een relatief hoge prikkeldrempel, maar reageert daar passief of dromerig op.

Dit kind gaat niet actief op zoek naar extra prikkels. Het lijkt ze soms gewoon niet zo goed op te merken.

Bij jonge kinderen kan dit er bijvoorbeeld uitzien als:

Het kan voor ouders of pedagogisch medewerkers lijken alsof een kind “niet luistert”.

Maar soms is de boodschap eerder: “Ik heb wat meer tijd of duidelijkheid nodig om de prikkel op te merken.”

3. De Sensor – “Vrijwel alles komt binnen!”

Een kind met kenmerken van de Sensor heeft een lage prikkeldrempel. Het merkt prikkels snel en intens op, maar probeert niet actief de situatie te veranderen.

Voor zo’n kind kan de wereld soms behoorlijk luid, druk, fel of overweldigend zijn.

Je kunt bijvoorbeeld zien dat een kind:

Een volwassene kan denken: “Het is toch niet zo druk?”

Maar voor dit kind kan de hoeveelheid informatie die binnenkomt wel enorm zijn. Creëer Een rustige plek, minder speelgoed tegelijk of even naar buiten gaan.

4. De Vermijder – “Ik wil hier even weg”

Ook de Vermijder heeft een lage prikkeldrempel. Het verschil is dat dit kind actief probeert prikkels te verminderen of te vermijden.

Bij jonge kinderen kan dat er bijvoorbeeld uitzien als:

Wat soms wordt gezien als “koppigheid”, kan ook een poging zijn om het eigen zenuwstelsel te beschermen.

Het kind zegt als het ware: “Dit is mij te veel. Help me om het minder te maken.“

Een kind kan verschillende profielen laten zien

De vier profielen zijn geen hokjes of diagnoses.

Een kind kan bijvoorbeeld thuis een echte Zoeker zijn: springen op de bank, rennen door de kamer en overal tegenaan klimmen. Op de opvang kan datzelfde kind juist kenmerken van een Vermijder laten zien, omdat daar veel meer geluid, kinderen en onverwachte gebeurtenissen zijn.

Ook gedurende de dag kan het gedrag veranderen.

Een kind dat ’s ochtends prima tegen drukte kan, kan na een lange dag ineens veel gevoeliger reageren.

Prikkelverwerking is namelijk afhankelijk van de context.

Denk aan: Slaap en vermoeidheid, honger, spanning of emoties, ziekte, nieuwe situaties, harde omgevingsgeluiden of veel beweging, voorspelbaarheid van de dagen en de invulling hiervan.

Daarom is het vaak interessanter om te kijken naar wat een kind nodig heeft, dan om het kind een label te geven.

Kijk eerst goed

Observeer wanneer bepaald gedrag ontstaat.

Is het vooral:

Door patronen te herkennen, krijg je vaak al waardevolle informatie.

Bied verschillende manieren van bewegen aan

Bewegen is voor jonge kinderen niet alleen leuk. Het geeft ook belangrijke informatie aan het lichaam. Denk aan: klimmen, klauteren, springen, rollen, rennen, duwen en trekken, schommelen, balanceren, kruipen, spelen met zand of water. Geef de ruimte en laat het spel ontstaan.

Maak ruimte voor rust

Prikkelverwerking gaat niet alleen over meer prikkels aanbieden. Rust is minstens zo belangrijk.

Daarom werken we in De Sensorische Beweegtuin met een maximum aantal van 5 kinderen per speelmoment. Zodat alle kinderen de ruimte voelen om te bewegen, ontdekken en verbinden.

Bewegen, voelen, klimmen, balanceren, ontdekken en spelen bieden kinderen de mogelijkheid om op een natuurlijke manier allerlei zintuiglijke informatie op te doen.

Wat heeft dit kind nodig om zich prettig te voelen, te spelen, te ontdekken en zich te ontwikkelen?

Want ieder kind verwerkt de wereld op zijn eigen manier. En juist wanneer we die verschillen leren zien, kunnen we kinderen beter ondersteunen.

Tot slot

Het model van Winnie Dunn kan een waardevolle bril zijn om naar gedrag van jonge kinderen te kijken. Het helpt ons om je kind beter te begrijpen. Van daaruit ontstaat ruimte om samen te ontdekken wat een kind nodig heeft.